Vervolg voetnoten bij het artikel van Jos de Meyere, "Een Utrechts beeld van Karel V" in
Tijdschrift Oud-Utrecht, december 2000
S.Muller, "Getuigenverhoor te Antwerpen over het maken van ontwerpen van
gebouwen in de 16e eeuw door schilders, goudsmeden, timmerlieden en
metselaars", in F.D.O.Obreen, Archief voor Nederlandsche
Kunstgeschiedenis, dl. 4, Rotterdam 1881-1882, 229 en F.A.J.Vermeulen,
Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst, dl. 2, Den
Haag 1931, 185.
Zie in dit verband noot 48 en S.Muller, Schilders-Vereenigingen te
Utrecht, Utrecht 1880, 10-11 en 44-53.
Kuyper (noot 22), 190.
P.T.A.Swillens, "Rijck Hendriksz. van Beest, beeldhouwer te Utrecht",
Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1950, 72-76 en idem, "Beeldhouwers en
beeldhouwkunst" in Hart van Nederland (ed. J.Romijn), Utrecht 1950,
224.
S.Muller, De Dom van Utrecht, Utrecht 1906, 22.
J.J.Dodt van Flensburg, Archief voor Kerkelijke en Wereldsche
Geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, dl. 4, Utrecht 1846, 313.
Rekeningen van de Utrechtse Salvatorkerk 1561-1562, fol. 16 vo
: "Item 18 octobris 62 solvi Richardo Henrici, lapicide, qui reparavit
et restituit fimbrias lapideas ruptas in altari domini Joannis Knijff in
capella sancte Babare et confecit imaginem quandam lapideam sancti Salvatoris
constituam, in summitate altaris domini Christiani Zenden, iuxta
scedulam..."
Het Utrechts Archief, Inv. nr. 499 III.
Rekeningen van de Utrechtse Mariakerk 1562-1563, fol. 378: "Item XXIIII
julii anno 1563 Richardo Henrici, sulptori, qui confecit imperatoriam statuam
ponendam supra ecclesiam nostram, pro laboribus ad computum iuxta ipsius
cedulam..."
Het Utrechts Archief, Inv. nr. 347.
Ibidem:
"Item similiter per manus eiusdem pro advectione ligni
antedicti ad edes Rychardi, sculptoris, et pro ligno cesare sulpto advehendo
ad ecclesiam nostram..."
Zie voor de beide beelden met de voorstelling van keizer Hendrik IV:
S.Weide, Hendrik IV in Utrecht, Utrecht (Rijksuniversiteit,
doctoraalscriptie) 1984 en idem, "Keizer Hendrik IV in Utrecht: enkele beelden
en schilderijen", Jaarboek Oud-Utrecht 1985, 62-84.
J.J.Dodt van Flensburg, Archief voor Kerkelijke en Wereldsche
Geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, dl. 5, Utrecht 1846, 368.
B.M.de Jonge van Ellemeet, Inventaris van het archief van het kapittel
van St Marie, Utrecht 1937, Rekeningen van de Fabriekskamer.
Voor overzichten van leven en werk van Colijn de Nole: R.Ligtenberg,
"Materialen voor een studie over de beeldhouwers De Nole en hun werken",
Oud-Holland 1918, 53-131; M.Casteels, De beeldhouwers De Nole te
Kamerijk, te Utrecht en te Antwerpen, Brussel 1961 en B.van Santen,
"Colijn de Nole (ca 1500 – voor 1558) beeldhouwer" in Utrechtse biografieën
4, Utrecht 1997, 142-146.
Zie in dit verband J.C.Overvoorde en J.G.Ch.Joosting, De gilden van
Utrecht tot 1528, dl. 2, Den Haag 1896, 311-316.
In 1540 bepaalde de Utrechtse Raad wel, ter voorkoming van verdere
conflicten, dat "beeltsnijders, die groff steen houwen, te weeten van
schoersteenen ofte metsellerie" thuishoorden in het steenbikkersgilde en "den
ghenen die beelden maeckeen van hout off van steen" in het zadelaarsgilde.
Ten onrechte vermeldt Van Santen (noot 46), 144 dat De Nole in 1547
voorkomt in de archieven van de Utrechtse Buurkerk in verband met een betaling
voor reparaties aan een beeld van keizer Hendrik IV; dat betreft de rekeningen
van de Mariakerk over 1547-'48, fol. 158 vo in Het Utrechts
Archief, Inv. nr. 347.
Zie hierover J.A.L.de Meyere, "Over de betekenis van "dolmesge" en
"perpecanen", Maandblad Oud-Utrecht 1984, 168.
W.H.Kloek, "Colijn de Nole en Willem van Noort in Utrecht" in catalogus
Kunst voor de beeldenstorm, Amsterdam (Rijksmuseum) 1986, 300 zaait
verwarring door te suggereren dat het om twee verschillende opdrachten gaat:
in 1549 worden de werkzaamheden uitgevoerd waarover eerst in 1552-'53 wordt
betaald, ook aan Jan van Scorel.
Ligtenberg (noot 46), 58.
Klinckaert (noot 6), 493-494.
G.Galland, Geschichte der Holländischen Baukunst und Bildnerei im
Zeitalter der Renaissance, Frankfurt am Main 1890, 94-95: "Zweifellos
gingen aus Meister Colyns Werkstatt auch die, ebenfalls um 1550 entstandenen,
reichen plastischen Dekorationen vom sog. Hause Karls V. hervor".
R.Hedicke, Cornelis Floris und die Florisdekoration, Berlijn 1913,
226-227.
C.G.Veenstra, "Colijn de Nole, een zestiende eeuwsche Beeldhouwer en zijn
werk", Historia 1938, 130.
A.van Hulzen, Utrecht – de Oude Gracht, dl. 1, Amersfoort 1991,
72-74.
Zie noot 14.
Het Utrechts Archief, SA V 94x (1867).
Het beeld werd in 1994 gerestaureerd door Rob Bremer, Peter Dijkman en Jan
van Ipenburg.
Het Utrechts Archief, SA I, inv.nr. 705.
Zie noot 48.
Zie in dit verband catalogus Het Stadhuis van Nijmegen, Nijmegen
(Nijmeegs Museum) 1982, 60-64.